Als aannemer maakt u uiteraard contracten met leveranciers en klanten. Het is immers belangrijk duidelijke afspraken te maken, en daarom zijn schriftelijke contracten noodzakelijk. Ons contractenrecht werd recent vernieuwd, met soms wel ietwat onverwachte aanpassingen. We geven een kort overzicht van de belangrijkste voor u.
Ook de nieuwe wetgeving behoudt de ‘contractuele vrijheid’. Die houdt in dat, buiten de gevallen die de wet bepaalt, het iedereen vrij staat om al dan niet een contract te sluiten en om zijn medecontractant te kiezen.
De contracterende partijen kunnen hiertoe ‘precontractuele onderhandelingen’ voeren. Tijdens deze precontractuele onderhandelingen kunnen zij jegens elkaar ‘buitencontractuele aansprakelijkheid’ oplopen. Dit betekent dat indien een onderhandelaar bepaalde informatie verzwijgt, foute informatie meedeelt, of zelfs gewoon zomaar de onderhandelingen afbreekt, hij hiervoor aansprakelijk kan worden gesteld!
Nieuw is dat de wet in dit geval nu ook sancties oplegt. Zo zal bij het foutief afbreken van onderhandelingen deze aansprakelijkheid inhouden dat de benadeelde persoon teruggeplaatst wordt in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden indien er niet zou zijn onderhandeld.
In de praktijk gebeurt het vaak dat het geven van de toestemming aangetast is door een ‘wilsgebrek’! Dit kan ‘dwaling’ zijn (indien een partij een verkeerde voorstelling geeft van een element dat voor de andere partij doorslaggevend is geweest om het contract te sluiten), of ‘bedrog’ (indien een partij werd misleid door kunstgrepen die haar medecontractant opzettelijk heeft aangewend).
De wetgever heeft hier nu een nieuw wilsgebrek aan toegevoegd, namelijk het ‘misbruik van omstandigheden’. Er is misbruik van omstandigheden wanneer bij de contractsluiting een onevenwicht bestaat tussen de prestaties, als gevolg van het misbruik door de ene partij van omstandigheden die verbonden zijn aan de zwakke positie van de andere partij. In dit geval kan de zwakke partij aanspraak maken op de aanpassing van haar verbintenissen door de rechter.
De meest ingrijpende aanpassing die de wetgeving deed binnen het nieuwe verbintenissenrecht is zonder twijfel de zogenaamde ‘imprevisieleer’, of zoals het in de nieuwe wet genoemd wordt: ‘verandering van omstandigheden’.
Normaal gezien moet een contract, eens het tot stand gekomen is, uitgevoerd worden. Een contract kan dus niet zomaar verscheurd worden eens beide partijen het hebben afgesloten. Bepaalde omstandigheden kunnen er echter voor zorgen dat een uitvoering van het contract niet mogelijk is. We denken hier bijvoorbeeld aan ‘overmacht’. Dit is een totaal onvoorzienbare gebeurtenis waardoor de uitvoering van een contract onmogelijk wordt.
Er zijn in de praktijk echter ook omstandigheden die het contract niet compleet onuitvoerbaar maken, maar het slechts ‘moeilijker’ maken om het uit te voeren. We denken hier aan de steeds hoger wordende materiaal- en energiekosten. Bij deze ‘imprevisieleer’ is er dus geen onmogelijkheid tot het uitvoeren van het contract, iets wat bij overmacht wel het geval is.
De nieuwe wetgeving voorziet nu in een heronderhandeling wegens ‘verandering van omstandigheden’. Dit betekent dat elke partij haar verbintenissen moet nakomen, ook al zou de uitvoering ervan meer bezwarend geworden zijn. Maar de schuldenaar kan aan de schuldeiser vragen om het contract opnieuw te onderhandelen. Dit kan mits voldaan is aan bepaalde vereisten, namelijk:
De partijen blijven hun verbintenissen nakomen in de loop van de heronderhandelingen. Mislukken de onderhandelingen of worden ze afgewezen binnen een redelijke termijn, dan heeft de rechter, op verzoek van een van de partijen, de mogelijkheid om het contract ofwel aan te passen, ofwel te beëindigen.
Deze mogelijkheid tot heronderhandelen is niet van dwingend recht! Dit betekent dat de contracterende partijen deze ‘imprevisieleer’ kunnen aanpassen, verstrengen of zelfs kunnen uitsluiten.
Bovendien is het ook zo dat deze nieuwe regels van toepassing zijn op nieuwe contracten die na 1 januari 2023 tot stand worden gebracht. Contracten van vóór deze datum blijven onderworpen aan de oude regels van het Burgerlijk Wetboek, tenzij door de partijen anders werd overeengekomen. Dit betekent dat de oude regels nog een hele tijd toepassing zullen vinden!