EU-grenswaarde voor blootstelling aan benzeen op het werk

11 september 2026

Op 5 april 2026 treedt de definitief verstrengde ‘EU-grenswaarde voor blootstelling aan benzeen op het werk’ in werking (van 1 ppm naar 0,2 ppm). Deze wijziging vloeit voort uit de Europese regels voor de bescherming van werknemers tegen blootstelling aan kankerverwekkende stoffen op het werk. Benzeen is een kankerverwekkende stof die onder meer het beenmerg kan beschadigen. Hierdoor kan de aanmaak van bloedcellen verstoord raken, wat het risico op bloedziekten zoals bijvoorbeeld leukemie verhoogt.

Vanaf 5 april 2026 wordt de definitieve Europese grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling aan benzeen verlaagd van 1 ppm naar 0,2 ppm (ppm = parts per million).

De nieuwe grenswaarde van 0,2 ppm heeft gevolgen voor sectoren waar benzeen voorkomt, zoals de petrochemie, bepaalde laboratoria, de chemische industrie, de brandstoffensector en bepaalde onderhouds- en recyclage-activiteiten.

Voor een tuinaannemer of gebruiker van brandstofmotoren lijkt benzeen misschien geen groot risico, maar er zijn wel situaties waarin blootstelling kan voorkomen. Iedere werkgever en gebruiker moet voor zichzelf nagaan of er blootstelling mogelijk is en die zoveel mogelijk beperken.

In welke gevallen?

  • Bij het werken met benzine (voor grasmaaiers, kettingzagen, bosmaaiers, bladblazers): vermijd onnodig morsen en langdurig inademen van benzinedampen, bijvoorbeeld bij het tanken.
  • Tijdens het tanken van machines: doe dit bij voorkeur in de open lucht of op een goed geventileerde plaats en sluit brandstofcontainers onmiddellijk af.
  • Bij het onderhoud van motoren: voer werkzaamheden waarbij benzine vrijkomt uit in een goed geventileerde werkplaats. Gebruik indien mogelijk een afzuiging.
  • Bij de opslag van brandstoffen: bewaar benzine in goed afgesloten, goedgekeurde recipiënten en beperk de hoeveelheid die op de werkplek aanwezig is.

Kies waar mogelijk voor alternatieven: accuaangedreven machines of alkylaatbenzine (een schonere benzinesoort met een veel lager benzeengehalte) kunnen de blootstelling aanzienlijk verminderen.

Voor werkgevers betekent dit onder meer dat zij:

  • de blootstelling aan benzeen zo laag mogelijk moeten houden volgens het ALARA-principe (As Low As Reasonably Achievable) oftewel zo laag als redelijk haalbaar
  • de risicoanalyse en preventiemaatregelen moeten actualiseren
  • waar nodig technische maatregelen (zoals afzuiging of gesloten systemen) moeten nemen
  • geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen moeten voorzien wanneer andere maatregelen onvoldoende bescherming bieden
  • de blootstelling moeten opvolgen via metingen

In de praktijk

Een gebruiker die dagelijks benzine-aangedreven machines vult en onderhoudt, zal meestal geen hoge benzeenblootstelling hebben tijdens het normale maaien of snoeien. De grootste blootstelling ontstaat vaak tijdens het tanken, het aftappen van benzine of onderhoud aan de motor. Door deze handelingen goed te organiseren en waar mogelijk over te schakelen op elektrische machines of alkylaatbenzine, kan de blootstelling sterk worden verminderd.

In de meeste gevallen zal de nieuwe grenswaarde dus geen ingrijpende aanpassingen vereisen, maar kan ze wel een aanleiding zijn om de risicoanalyse te actualiseren en na te gaan of eenvoudige preventiemaatregelen volstaan om de blootstelling zo laag mogelijk te houden. Overschakelen op alkylaatbrandstof kan hierbij een eerste stap zijn.

Ook interessant voor jou