Op 5 april 2026 treedt de definitief verstrengde ‘EU-grenswaarde voor blootstelling aan benzeen op het werk’ in werking (van 1 ppm naar 0,2 ppm). Deze wijziging vloeit voort uit de Europese regels voor de bescherming van werknemers tegen blootstelling aan kankerverwekkende stoffen op het werk. Benzeen is een kankerverwekkende stof die onder meer het beenmerg kan beschadigen. Hierdoor kan de aanmaak van bloedcellen verstoord raken, wat het risico op bloedziekten zoals bijvoorbeeld leukemie verhoogt.
Vanaf 5 april 2026 wordt de definitieve Europese grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling aan benzeen verlaagd van 1 ppm naar 0,2 ppm (ppm = parts per million).
De nieuwe grenswaarde van 0,2 ppm heeft gevolgen voor sectoren waar benzeen voorkomt, zoals de petrochemie, bepaalde laboratoria, de chemische industrie, de brandstoffensector en bepaalde onderhouds- en recyclage-activiteiten.
Voor een tuinaannemer of gebruiker van brandstofmotoren lijkt benzeen misschien geen groot risico, maar er zijn wel situaties waarin blootstelling kan voorkomen. Iedere werkgever en gebruiker moet voor zichzelf nagaan of er blootstelling mogelijk is en die zoveel mogelijk beperken.
In welke gevallen?
Kies waar mogelijk voor alternatieven: accuaangedreven machines of alkylaatbenzine (een schonere benzinesoort met een veel lager benzeengehalte) kunnen de blootstelling aanzienlijk verminderen.
Voor werkgevers betekent dit onder meer dat zij:
In de praktijk
Een gebruiker die dagelijks benzine-aangedreven machines vult en onderhoudt, zal meestal geen hoge benzeenblootstelling hebben tijdens het normale maaien of snoeien. De grootste blootstelling ontstaat vaak tijdens het tanken, het aftappen van benzine of onderhoud aan de motor. Door deze handelingen goed te organiseren en waar mogelijk over te schakelen op elektrische machines of alkylaatbenzine, kan de blootstelling sterk worden verminderd.
In de meeste gevallen zal de nieuwe grenswaarde dus geen ingrijpende aanpassingen vereisen, maar kan ze wel een aanleiding zijn om de risicoanalyse te actualiseren en na te gaan of eenvoudige preventiemaatregelen volstaan om de blootstelling zo laag mogelijk te houden. Overschakelen op alkylaatbrandstof kan hierbij een eerste stap zijn.