Het verplicht afbouwen van het gebruik van mest- en sproeistoffen (gewasbeschermingsmiddelen) heeft het bewustzijn over hoe de bodem nu echt functioneert bij veel gebruikers en fabrikanten aangescherpt. Met GreenTechPower zijn we al langer dan vandaag aan het kijken waar de alternatieven liggen die de bodem verrijken in plaats van leegroven.
In dat kader hebben we eerder dit jaar de koppen bijeen gestoken met Koen Verhelst van Intergrow en Sven Van Regemortel en Annelies Justé van DCM. Het werd een losse babbel waarin over de bedrijven en merken heen maar één ding centraal stond: de bodem. Iemand gooit iets in de groep en degene die zich geroepen voelt pikt erop in. Koen bijt de spits af …
Koen Verhelst: ‘Wat ik meer en meer tegenkom in analyses zijn fosfaten die gefixeerd zijn door de pH. Daar kunnen die bacillus amyloliquefaciens en trichoderma mee helpen. Op de verpakkingen staan daar altijd aanbevolen dosissen op, bijvoorbeeld tussen 8 en 15 kg. Hoe ga je nu bepalen of je voor die 8 of die 15 kg gaat? En hoe gaat welke dosis inwerken op bestaande planten?’
Sven Van Regemortel: ‘Aangewezen is om de producten in de wortelzone in te brengen. Als je ze gaat strooien bij bijvoorbeeld een bestaande haag, probeer dan je bodembedekkers (zoals schors of lava) eerst te verwijderen, en werk het zo goed mogelijk in met bijvoorbeeld een drietand. Als je echt optimaal resultaat wenst, en zeker bij bestaande aanplantingen, kun je naar een vloeibare versie overgaan.’
Koen: ‘De dosis hangt nauw samen met de grond waarmee men te maken heeft. Is deze grond zwaar bewerkt waardoor het bodemleven fel achteruit is gegaan, dan adviseer ik hogere dosissen dan bij een gezonde grond.’
Annelies Justé: ‘De temperatuur van je bodem is heel bepalend. Die bacillen en trichoderma worden in sporen toegevoegd en zitten in een bodemverbeteraar.
Daar zit dus ook al organische stof rond wat al een deel van je bescherming is. Als die producten lang op bevroren grond achterblijven, dan gaat de concentratie wel stilaan afnemen. Dat geldt voor alle sporen van bacillen en trichoderma. Ideaal lijkt mij om twee weken voor de warme temperaturen te beginnen met toe te dienen. Dan beginnen de wortels eveneens wortelexudaten uit te scheiden, beginnen de sporen te werken en wordt het een win-winsituatie voor beide. Omdat je in de winter als aannemer meer tijd hebt, is het begrijpelijk dat je dan al wil werken en deelgiften doen.’
Sven: ‘Een constante temperatuur van minimum 8°C en toch wat homogene temperatuurlijnen zijn een must. Bovendien ligt ook je plant in de winter stil en gaat hij niks opnemen.’
Annelies: ‘Je schimmels gaan groeien doorheen de grond zelf, maar eigenlijk wil je dat die bacilli op je wortels zitten. Trichoderma gaat verder uitgroeien, bacilli zijn niet mobiel. Daar moet je rekening mee houden in verband met de opneembaarheid. Om die reden geven wij de raad om deze toe te dienen bij aanplant, dan kun je alles ter plaatse toedienen volgens de regels van de kunst.’
Sven: ‘Trichoderma heeft organische stof nodig om zich verder te ontwikkelen. Bij aanvang kan de trichoderma wel wat gaan profiteren van de suikers die de plant afgeeft, maar eens die zich gaat ontwikkelen gaat die wel wat meer nodig hebben dan enkel die suikers.’
Koen: ‘Trichoderma’s zijn mycoparasieten: ze halen hun voedingsstoffen door andere schimmels af te breken. Daarnaast kunnen ze ook leven van organisch materiaal. Sommige soorten parasiteren enkel op specifieke schimmels. Daarom staat op de verpakking van bodemverbeteraars meestal vermeld welke stam in het product aanwezig is. De ene stam is namelijk selectiever dan de andere. Trichoderma’s kunnen tegelijk de plantengroei stimuleren en bescherming bieden tegen ziekten zoals Fusarium en Sclerotinia. Het is wel belangrijk om tijdig met deze toepassing te starten, ze regelmatig te herhalen en ervoor te zorgen dat de schimmel goed in de bodem wordt ingewerkt. Op golfbanen kan dit een remmend effect hebben op dollarspot, en op voetbalvelden kan het helpen om Pythium te onderdrukken.’

Annelies: ‘Ik zou het zeker jaarlijks toepassen, zo krijg je een evenwicht. Met je bodemverbeteraar ga je door de organische stof alles stimuleren wat aanwezig is en daar komt in dit geval nog eens de werking van de bacillus en trichoderma bij. Dan hebben we twee manieren van bodemleven stimuleren in één klap: het bodemleven wat er al zit wordt gestimuleerd door de organische stof en we voegen micro-organismen die we zelf goed kennen toe. Als je geen bacillus en trichoderma toevoegt dan ga je enkel wat aanwezig is stimuleren. Als je door gebruik van organische stof kunt stimuleren wat er al aanwezig is, dan maak je al gebruik van de oplossingen die de natuur voorzien heeft.’
Annelies: ‘Ik kan je voor een deel volgen op vlak van de micro-organismen die door de organische stof gestimuleerd worden om te groeien. Als een plant bij een koude wind minder groeit dan zijn er minder wortelexudaten. Wat er rond en op die wortels zit, gaat trager groeien. Dat proces volgt het ritme van je plant.’
Koen: ‘Om te beoordelen of de natuur aan het ontwaken is, kan men zich oriënteren op indicatorsoorten zoals de beukenhaag en de inlandse eik. Wanneer in april nog een aanhoudende oostenwind optreedt, blijven deze bomen en struiken doorgaans langer in rust en zal de bladontwikkeling vaak pas in de loop van mei op gang komen. Dit fenomeen weerspiegelt zich ook in de ontwikkeling van het gazon. Pas wanneer de omstandigheden gunstiger worden, zal het gras een egale groei vertonen. Bij lage temperaturen daarentegen groeit het gras ongelijkmatig, wat resulteert in een vlekkerig patroon. Deze variatie is te verklaren door de samenstelling van grasmengsels. Verschillende grassoorten reageren immers anders op temperatuur. Zo zal een soort zoals Engels raaigras reeds actief worden bij bodemtemperaturen rond 7°C, terwijl soorten zoals zwenkgrassen bij dergelijke omstandigheden nog beperkt actief blijven. Ook de wortelontwikkeling volgt dit patroon: waar sommige soorten reeds vroeg in het seizoen beginnen met wortelgroei, blijven andere nog in een rustfase.’
Annelies: ‘Ik vermoed dat de bodem wel aan het ontwaken is, maar dat er nog niet voldoende fotosynthese zal zijn.’
Koen: ‘De bodem ontwaakt doorgaans eerder dan de zichtbare groei van de plant. Het is echter essentieel om er zeker van te zijn dat de bodemtemperatuur minstens 6°C bedraagt alvorens de eerste bodembewerkingen uit te voeren. Bij lagere temperaturen zijn de bodemmicro-organismen nog onvoldoende actief, waardoor het risico bestaat dat nutriënten verloren gaan. Een praktische indicatie voor de bodemtemperatuur kan worden afgeleid uit de natuur. Wanneer soorten zoals de forsythia en de sleedoorn in bloei staan, ligt de bodemtemperatuur doorgaans rond of boven de 8°C. Na de bloei verschijnen de bladeren en komt de fotosynthese op gang, wat leidt tot een verhoogde activiteit van het bodemleven. Naarmate de wortelontwikkeling en de algemene activiteit van de plant toenemen, wordt er opnieuw voldoende organisch materiaal geproduceerd, zoals suikers, organische zuren en aminozuren. Deze stoffen dienen als voeding voor schimmels en bacteriën en stimuleren zo de verdere ontwikkeling van een gezond en actief bodemecosysteem. Vanaf dit moment komen er ook meer mineralen vrij en neemt het metabolisme van de planten toe. Het is daarom aangewezen om steeds aandacht te besteden aan natuurlijke indicatoren alvorens bodembewerkingen uit te voeren of producten toe te passen.’
‘Een eenvoudig praktijkvoorbeeld: wanneer je in februari over een grasveld loopt, zal de draagkracht merkbaar lager zijn dan wanneer je hetzelfde in april doet. Dit verschil hangt samen met de activiteit van het bodemleven en de evolutie van de bodemstructuur in het voorjaar.’
Sven: ‘Ik zou dat wel zeker doen omdat je nooit exact weet hoeveel actief bodemleven er in je compost zit. Ik zou er zeker wat bacillus of trichoderma bij meegeven. Dat gaat zeker helpen om die nutriënten vrij te maken. Ik zou dus in elk geval wat bodemleven toevoegen: in compost zitten lignine en wat koolstoffracties, die moeilijker omzetbaar zijn, en daar kan extra bodemleven veel brengen.’
Annelies: ‘De ene compost is de andere niet. Ken je met zekerheid de pH van je compost? Compost heeft heel veel diverse microflora, maar die zijn niet altijd stabiel. Als de pH te hoog is (bijvoorbeeld 9) werkt die de schimmels tegen. Bacteriën kunnen dan wel prima omgaan met zowel hoge als lage pH’s en hoge zoutconcentraties. Als ik in glastuinbouw een proef doe, dan neem ik 5% compost om dat bodemleven effectief op gang te trekken, en dan heb je meteen het voordeel van beide werelden.’
Sven: ‘Ja, klopt. En dan hangt dat ook nog eens af van het gewas waarvoor het moet dienen. Gras is bijvoorbeeld een bacillus-minded plant en minder schimmel-minded.’
Annelies: ‘Ik denk dat het vooral de bedoeling is om een goeie grasmat en geen pathogenen te hebben. En dan zie je dat hoe breder de microflora die aanwezig is, hoe moeilijker pathogenen het krijgen om daar tussen te komen. Als je amper microflora hebt en daar komt een ziekteverwekker tussen, dan heeft die het makkelijker om door te groeien: er zijn meer voedingsstoffen en er is minder concurrentie in plaats. Een zwart-witlijn trekken in schimmels of bacillus, daar waagt niemand zich aan.’
Sven: ‘Hangt ook weer af van je bodemtemperatuur en -toestand, maar een week later is die microflora wel actief hé.’
Koen: ‘Je moet eerst die luchtverhouding in orde brengen, want anders hebben al deze bewerkingen geen zin. Alle fysische parameters moeten eerst op orde zijn. In dat kader kan deze bodemanalyse ook interessant zijn.’

Annelies: ‘Het vrijmaken van een fosfaat komt door de activiteit van een bacillus. Die bacillus groeit langs je wortels en leeft van die wortelexudaten. Dan is die actief of daar dan fosfaat is of niet. Het is fosfatase dat wordt vrijgemaakt hé.’
Koen: ‘Schimmels produceren fosfatase, een enzym dat in de bodem vrijkomt. Fosfatase breekt fosfaatgroepen los van de moleculen waaraan ze gebonden zijn, waardoor fosfaat beschikbaar wordt in de bodemoplossing. De schimmels nemen dit fosfaat vervolgens op en stellen het via symbiotische interacties opnieuw ter beschikking aan de plantenwortels, in ruil voor exudaten.’
‘Er kan worden gesteld dat het toedienen van hoge hoeveelheden fosfaten niet altijd wenselijk is. Een overmaat aan beschikbare fosfaten kan er immers toe leiden dat het bodemleven minder actief wordt in het vrijmaken van gebonden fosfaten. Hierdoor wordt de natuurlijke samenwerking tussen bodemorganismen en planten verstoord.’
Koen: ‘Je geeft een dosis fosfaat erbij en daar wordt maar 10 of 20% van opgenomen, de rest wordt vrij snel gefixeerd in de bodem.’
Sven: ‘Een nutriënt is pas opneembaar als het in oplossing is. Met fosfaat is dat niet anders. De fosforbron die wij gebruiken, is voornamelijk beendermeel wat ook zijn afbreekperiode nodig heeft. Je bodemleven gaat je beendermeel op het gemak afbreken. Zo komt dat rustig in oplossing en wordt het wél door de plant opgenomen. Zo werkt dat met alle organisch gebonden fosfaat. Hoe actiever je plant is en dus ook je bodemleven, hoe meer die fosfaat die organisch gebonden is ook vrijkomt. Als je daarentegen een chemische fosfaatbron hebt, lost die deels op en spoelt ze in. Al wat de plant niet kan opnemen, komt vast te liggen. Volgens mij kan het geen kwaad om wat fosfaat mee te geven tijdens de groeifase, maar zorg ervoor dat je bacillen of je bodemleven tijdens heel deze groeifase goed actief zijn.’
Koen: ‘Een groot deel van de fosfor uit kunstmest wordt in de bodem snel chemisch gebonden aan calcium, magnesium, ijzer en aluminium, waarbij onoplosbare fosfaten ontstaan. Deze vormen zijn niet meer direct beschikbaar voor de plant. Om deze gebonden fosfaten opnieuw beschikbaar te maken, zijn bacteriën en schimmels nodig die organische zuren afscheiden. Deze zuren zorgen ervoor dat fosfaten geleidelijk worden vrijgemaakt. De vrijgekomen fosfaten moeten vervolgens snel door de plant worden opgenomen, aangezien ze anders opnieuw kunnen worden vastgelegd aan bodemdeeltjes.’
‘In natuurlijke systemen is te zien dat bacteriën zich vaak verplaatsen in de nabijheid van schimmeldraden om zo toegang te krijgen tot moeilijk bereikbare fosfaatbronnen in de bodem. Schimmeldraden bieden hierbij een belangrijk voordeel: ze zijn zeer fijn en kunnen doordringen in kleine poriën waar plantwortels niet in kunnen penetreren. Op die manier vergroten ze het bereik van het wortelstelsel en verbeteren ze de opname van nutriënten.’
Als Business Development Manager Sport & Green bij DCM is Sven verantwoordelijk voor de implementatie en promotie van hoogwaardige organische en organo-minerale meststoffen, biostimulanten en op maat gemaakte concepten die de natuurlijke weerbaarheid van graszoden versterken. Hij ondersteunt greenkeepers, terreinbeheerders en aannemers bij het duurzaam optimaliseren van sportvelden en golfbanen, met een sterke focus op bodemgezondheid en ziektebestendige grasmatten.
Annelies heeft een achtergrond in de chemische bio-ingenieurswetenschappen en een doctoraat in de moleculaire biologie en werkt al meer dan dertien jaar nauw samen met glastuinbouwtelers. Haar passie ligt in het omzetten van wetenschappelijke kennis naar praktische oplossingen die dagelijks meerwaarde creëren in de teelt. Zij leerde microbiologische uitdagingen, zoals virussen en bacteriën, aanpakken en legde zich toe op het ontwikkelen van geïntegreerde strategieën voor een weerbare gewasproductie op basis van organische substraten. Daarnaast is zij verantwoordelijk voor de technische opleiding van distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen (PPP's), waarmee ze bijdraagt aan het versterken van de kennis en expertise binnen het partnernetwerk van DCM. De rode draad doorheen haar werk is eenvoudig: wetenschap en praktijk samenbrengen om duurzame oplossingen te ontwikkelen, samen met en voor de klanten.
Met meer dan vijfentwintig jaar ervaring in de golfsector als hoofdgreenkeeper is Koen Verhelst een voorstander van het aanpakken van problemen bij de bron en dit op een duurzame manier. Als adviseur bij Intergrow NV deelt hij zijn expertise en passie voor duurzame oplossingen in de groensector.